Chickvoetbal

,,Weet je wat komend weekend begint?” Michel en ik zitten in de auto. Ik denk na, maar kan niks bedenken. ,,Nou?” ,,Het EK chickvoetbal.” Of ik een keer mee wil naar een wedstrijd in de Adelaarshorst. Kaarten zijn maar tien euro. Leuk, denk ik. Naar welke wedstrijd dan? ,,Zweden.” Ik kijk hem aan. ,,Zweden?”

,,Ja. We hebben de speelsters gegoogeld, en gezien dat van Zweden ongeveer 80 procent lekkere chicks is. Bij Nederland zo’n 50 procent.” Ik moet lachen. Natuurlijk doen mannen dat. Vrouwen trouwens ook.

Michel voelt de bui al hangen. Hij begint direct over het hoogste transferbedrag voor een vrouwelijke voetballer ooit. Is ongeveer even hoog als een overstap van een man van de Jupiler League naar de Eredivisie. En dat de bestbetaalde vrouwen net wel of net niet kunnen rondkomen van hun voetbalsalaris, terwijl hun mannelijke evenknieën niet eens weten welke auto ze nu weer van hun maandsalaris moeten kopen. Het is wel een beetje oneerlijk. Vindt Michel ook.

Onbegrijpelijk ook trouwens, dat er zo weinig aandacht voor is. Want de voetbalvrouwen doen het beter dan de voetbalmannen. Ze staan tenminste op een eindtoernooi. De straten zouden vol moeten hangen met oranje vlaggen en grote schermen. We zouden carnavalshits moeten zingen, het bier moeten inslaan en buurtbarbecues moeten plannen rondom wedstrijden. Het is notabene in ons eigen land.

De vrouwen zelf zijn bescheiden. ‘Alle aandacht is welkom’, zeggen ze. Lief. Want de meeste aandacht komt in de vorm van vleeskeuring. Ongevraagd worden ze gegoogeld en in lijstjes gezet op basis van hun uiterlijk. Dat is te verkroppen als er voldoende aandacht is voor hun sportprestaties. Maar daar ontbreekt het hem nou juist aan. Dan mag elke aandacht welkom zijn, maar dat hebben ze niet verdiend.

Misschien komt het wel voort uit angst. Dat de vrouwen het beter doen dan de mannen. Überhaupt, in het leven. Meisjes doen het al jaren beter in het onderwijs. En meisjes verdienen meer met een bijbaantje dan jongens, bleek afgelopen week. En nu ook nog het voetbal. Nationale mannensport nummer 1. Het moet niet gekker worden.

Dus wordt er geen aandacht besteed aan de sportprestaties, maar bespreken we welke teams de knapste speelsters hebben en noemen we het chickvoetbal, zoals Michel deed. ,,Hoe moet ik het dan noemen, damesvoetbal? Vind ik nog erger.” ,,Wat dacht je van gewoon voetbal?” ,,Kan ook. Maar je mag mannenvoetbal ook piemelvoetbal noemen hoor.” Lijkt mij prima. Komende maand dus voetbal en volgend jaar het WK Piemelvoetbal.

Destructie

,,Destructie”, mompelt de slome vrouw aan de telefoon. ,,Ja, ik heb het hier. Je bent hier vanmorgen om 10.00 uur geweest.” ,,Iets later”, zeg ik, inmiddels een beetje geirriteerd. ,,Om 10.00 uur kreeg ik het nieuws.” ,,Oh ja, ik zie het. Je kat is inderdaad meegegaan voor destructie, maar ik weet niet of hij al weg is. Dan zou ik even moeten bellen.” Haast lijkt ze niet te hebben. Ze lijkt het gesprek maar te rekken en te rekken. Ik word ongeduldig en kortaf. ,,Misschien kun je beter nu even bellen, voordat hij in de tussentijd weg is.”

Ik hang op, kijk in de badkamerspiegel. Mijn haren nat, in de crèmespoeling. Een paar uur geleden werd ik gebeld met het nieuws dat mijn kat Beer is gevonden – hij is gechipt. Even dacht ik nog dat ik hem bij het asiel kon ophalen. Maar nee, het was slecht nieuws. Hij was dood. Aangereden op het kruispunt voor de Schouwburg in Deventer. Flink wat straten van huis vandaan. Meteen kreeg ik drie opties voorgelegd: begraven, destructie of cremeren. Zonder lang na te denken koos ik voor destructie en zette er mijn handtekening onder.

Nu is het 13.00 uur en sta ik, zonder me te hebben afgedroogd, in de badkamer te bellen met de dierenambulance. Want ineens lijkt het zo níét logisch: destructie. Het woord geeft me de rillingen. Ik heb besloten dat ik hem ergens zou begraven.

Een paar minuten later belt de vrouw met goed nieuws. Beer is nog niet weg voor destructie. Of ik hem dan zo ook kom ophalen? Anders moet-ie weer in de koeling. En of ik de ambulancerit al wel heb betaald, want dat moet ook?

De slome vrouw doet dit allemaal vrijwillig, dus ik weet dat ik me in moet houden, maar ik merk dat ik de banaliteit van deze dingen moeilijk kan verkroppen. Het doet pijn, maar tegelijkertijd weet ik ook: zo werkt het leven – en de dood.

Het is een mooi plekje geworden bij Diepenveen, ergens in het bos bij de Kranekamp. Nee dat mag niet, dat weet ik. Maar niemand hield me tegen toen ik samen met mijn vriendin met een schop en een met dekens afgedekt krat het bos in liep. En er was cake en koffie. Nu is het afgesloten.

Groen bakje

,,Wil je even daar gaan staan?”, vraag ik aan de jongen van Circulus. ,,Dan maak ik een foto van je met het bakje.” Enigszins ongemakkelijk staat hij daar, in mijn woonkamer. Half lachend met het goedgevulde groene bakje. Een soort goodiebag zit erin, met soep, biologisch afbreekbare zakjes en een uitleg over wat groen afval is en wat niet. Euforisch ben ik, en dat wil ik graag even delen.

Want nadat ik vorige maand in deze krant schreef over mijn vergeefse poging om er via de gemeente Deventer achter te komen hoe ik mee kon doen aan de proef met de kleine groene bakjes, is er behoorlijk wat gebeurd. Niet bij de gemeente. Daar heb ik nog steeds geen reactie van ontvangen. Nee, het waren de Ulebelt en Circulus die me vooruit hielpen. Nog geen drie weken later wordt het groene bakje bezorgd door een alleraardigste jongeman op een bakfiets. Voor het eerst ervaar ik de privileges van het hebben van een podium.

Het bakje krijgt een prominente plek in mijn keuken, en trekt veel positieve aandacht tijdens de eetclubavond bij mij thuis. Goed idee, zeg. Handig. En hij wordt meteen gevuld, geef ik schaamtevol toe. Er is altijd te veel.

Eergisteren mocht ik hem voor het eerst aan de weg zetten. Zag ik in de app van Circulus. Gelukkig, want met deze bloedhitte zag ik de vliegen er al omheen hangen. Dan weet je het wel.

Maandagavond gaat het bakje aan de weg, en na wat herrie dinsdagochtend denk ik dat het gebeurd is: de eerste lediging. Maar als ik om twaalf uur ga kijken, zie ik nog steeds een halve zak frieten en een half opgegeten broodje shoarma liggen. En het stinkt nog iets meer dan in mijn keuken.

Een afspraak en een avonddienst later, dinsdagnacht, kwart voor één. Het bakje is leeg. Althans, dat denk ik. Eenmaal boven ontdek ik twee klokhuizen. ‘Wat asociaal’, gaat er door mijn hoofd. Maar ik zie nog iets. Het is nat. Zouden ze ook nog mijn groene bakje schoonmaken, denk ik nog heel even verheugd?

Maar dan ruik ik het. Het is niet schoon. Verre van. Ik kokhals. Iemand heeft mijn groene bakje als wc gebruikt.

Inbreken

Doodeng is het. Dat iemand je huis binnen kan komen: daar waar jij je veilig voelt. Sinds ik weer alleen woon ben ik banger dan eerst. Als vrouw alleen kun je weinig beginnen tegen zo’n enge inbreker. En als je dan ook nog dood bent al helemaal niet.

Dat gebeurde afgelopen week: een opgebaarde vrouw werd in Humanitas in Deventer van sieraden bestolen. De politie neemt het hoog op, zegt ze op Facebook. Dat ze wel wat gewend zijn, maar dat dit hen echt raakt. Maar waarom eigenlijk precies? Wat maakt stelen van een dode erger dan stelen van een levende? Is de daad laffer, het effect groter?

Je hoort eigenlijk nooit het verhaal van de inbreker. Waarom hij (of zij!) ervoor kiest om midden in de nacht het terrein van misschien wel zijn eigen opa of oma op te lopen, zoekend naar een open raam. Je kunt misschien intelligentie missen, een goede opvoeding of een slechte jeugd hebben gehad. Maar er is niemand, echt niemand, op de hele wereld, die denkt: ‘Vanavond weer een inbraakje, zin in!’

Niemand wordt inbreker voor z’n plezier. Daar gaat een hele hoop problemen en wanhoop aan vooraf. Ik heb weleens interviews met oud-inbrekers gelezen. Meestal is dat trouwens niet hun benaming, eerder ex-verslaafde. Steeds in geldnood. Ik las dat het ongeveer het laatste is wat ze doen om aan een klein beetje geld te komen. En dat inbrekers ook nooit echt gevaarlijk zijn, tenminste, niet in essentie. Meer zoals wilde dieren: vaak zijn ze net zo bang voor jou als jij voor hen. En een kat in het nauw maakt rare sprongen.

Je mag geen spullen afpakken van iemand anders, dat staat in de wet. Dus natuurlijk moet de inbreker gestraft worden, en de benadeelden – de nabestaanden dus – tegemoetgekomen. Voor hen is de inbraak het ergst: dat er spullen met emotionele waarde in een rouwperiode ontnomen worden.

Maar een inbreker zwaarder straffen omdat het slachtoffer dood is, zoals op sociale media klinkt? De handen afhakken? Dat slaat nergens op.

Misschien is zelfs wel een zegen dat het slachtoffer niet leefde. Ze heeft nu in ieder geval geen trauma opgelopen.

155 per uur

,,Ze is wel een pittige rijder hoor”, zegt mijn vader tegen de autoverkoper, terwijl ik het plusknopje van de autoradio van de Hyundai Getz in blijf drukken – 14, 15, 21, 22, 38. Ik knik. ,,Ik rijd hard en ik heb de muziek hard.” De jongen uit Olst lijkt verbaasd. Hij kijkt naar mijn huidige auto, die nodig aan vervanging toe is. ,,Met die Polo? Hoe hard ga je dan?” Ik durf het haast niet toe te geven. ,,Ik rijd weleens naar Hengelo over de A1, dan mag je 130. Maar dan ga ik meestal 155.” Dat ik zelfs nog weleens harder ga laat ik maar even achterwege.

Het mag niet, dat weet ik. En ik weet dat ik een keer een boete ga krijgen – en dat ik blij mag zijn dat ik er nog geen heb. Helemaal nu de politie nog meer mobiele flitsers inzet. De kop in de krant van gisteren stemde me chagrijnig. Toen ik op het kaartje zag dat het meeviel op de A1 en de N337, waar ik ook geregeld rijd, werd ik blij. En toen ik het artikel las werd ik weer op de feiten gedrukt. Want flitsers staan er natuurlijk niet zomaar.

Een vriend vertelde me dat het risico bij een auto-ongeluk op hartstikke dood na 120 kilometer per uur knallend omhoog schiet. Ik wuifde het weg. Ik wil het niet horen. Want ik hou van de spanning. Drukken doe ik niet en ik zoef alleen als de weg voor me leeg is. En ik weet ook: ik ben niet de enige. Op zaterdagmiddag bevind ik me consequent in een hele stoet met hardrijders. Dan is 155 nog een slakkengang.

Maar ik geef eerlijk toe: het schiet vaak door mijn hoofd. Als ik de teller tegen de 160 aan zie schurken, kijk ik soms even naar mijn stuur. Daar staat ‘VW’, maar geen ‘airbag’. Dit jaar maakte ik al zo’n 8.000 kilometer en met elke kilometer neemt de kans op hartstikke dood toe. Soms is het enige waar ik aan denk tijdens mijn terugreis mijn eigen begrafenis.

Toch check ik bij elke potentiële nieuwe auto even de maximumsnelheid en peins ik niet over langzame optrekkers. Het zit er ingebakken. En dat weet de politie. Hard rijden is net als roken en drinken: mensen moeten tegen zichzelf in bescherming worden genomen. De conditionering begint. Ik zie mijn eerste boete tegemoet.

Ik wil niet zeuren

Ik had me nog zo voorgenomen om niet te gaan zeuren. En iedereen die mij kent weet dat ik dat moeilijk vind. Maar ik doe mijn best. Het is fantastisch weer en mensen zijn vrolijk. Ik heb ook nog een paar dagen vrij en ik ga op reis. Reden genoeg voor ontspanning dus.

Maar het wordt me wel héél moeilijk gemaakt. Het begon allemaal zo’n anderhalve maand geleden, toen ik na mijn break-up verhuisde naar het Bergkwartier in Deventer en een parkeervergunning nodig had. Die mag je pas aanvragen als je officieel in de stad bent ingeschreven. Dus als je een dag eerder naar het stadhuis komt, word je gewoon weggestuurd. ,,Het systeem kan dat niet”, was het argument. ,,Kom na het weekend maar terug.”

Met al mijn overredingskracht heb ik de gemeenteambtenaar overgehaald mijn formulieren even achter te houden en pas in te voeren op het moment dat ik wél ingeschreven stond. Waarna de wachttijd van drie maanden in ging. Maar toen ik de bezoekerspas, die ik wél meteen zou krijgen, na twee weken nog niet had, begon ik te twijfelen. Na een belletje bleek het inderdaad niet goed te zijn gegaan. Oh ja, de wachttijd was inmiddels opgelopen naar vier maanden.

Tegenover iedereen die hierover verontwaardigd was, nam ik het op voor de gemeente. Gelaten zei ik: ,,Er zal wel een reden voor zijn.” En wat was ik steeds trots op mezelf.

Twee weken geleden kwam er olie op het vuur. De gemeentelijke belastingen gingen nog van de gezamenlijke rekening. Onze eigen schuld. Dat moest overgezet naar mijn naam. Op de website vond ik alleen een formulier dat ik moest uitprinten en per post moest opsturen. Dat geloofde ik niet. Dus ik stuurde een whatsappje (dat dan weer wel) naar de gemeente om erover te vragen, en ik kreeg ook snel antwoord. Ik moest een formulier uitprinten en per post opsturen. Huh? Er is toch DigiD?

En toen de druppel. Vorige week maandag mailde ik een vraag over de pilot van de groene afvalbakjes waaraan ik graag wil deelnemen. Ik zou binnen drie werkdagen antwoord krijgen. Je raadt het al: nog steeds niks (tip: app!).

Ik wil niet zeuren gemeente Deventer, echt niet, maar ik doe het toch. Het gebouw mag dan hypermodern zijn, maar de dienstverlening stamt uit de jaren tachtig.

Gegijzeld

De weg van het Saxion naar het Deventer station wordt steeds beter, schreef ik eens. Deze zomer moet ik daar even op terugkomen. Het wordt iedereen onmogelijk gemaakt om met het openbaar vervoer weg te komen uit de stad. Er is geen weg naar het station.

Wie weleens simulatiespelletjes heeft gespeeld, weet precies wat de gemeente nu aan het doen is. Als je bij de Sims (een soort poppenhuis, maar dan op de computer) een ongewenst kind krijgt, dan stop je het gewoon in een kamer en haal je de deur eruit. Niemand die erbij kan komen, ook de kinderbescherming niet. En dan wachten. Tip van mijn neefjes.

Maar het kan ook minder gruwelijk. Als je bij Rollercoaster Tycoon (waarbij je simuleert dat je een attractiepark beheert) het pad tussen je winkelgebied en de rest van je attractiepark weghaalt, dan kun je geld verdienen. De mensen die er dan rondlopen kunnen geen kant op, en moeten wel gaan winkelen. Dat heet slim ondernemen.

Dat heeft de gemeente knap afgekeken. Door de brug naar het station weg te halen, en de toegang tot de fietsenkelder af te sluiten, hoopt ze natuurlijk toeristen te kunnen gijzelen in onze stad. Dat die, nadat ze voorjaarsstadswandelingen hebben gemaakt, ons mooie stadskantoor hebben bekeken, en de Roofkunst in de Bergkerk hebben bewonderd, erachter komen dat ze helemaal niet meer weg kunnen. Dat ze vastzitten. En dan toch maar wat gaan doen, want ja, ze zijn er nu toch.

Vervelen zullen ze zich in ieder geval niet. Tussen nu en begin september, wanneer de nieuwe brug af moet zijn, is er genoeg te doen. Dat begint komend weekend al, met de Smaak van Deventer. Dan hebben we nog onze vaste evenementen, de boekenmarkt en Deventer op Stelten, maar daar komen ook de IJsselbiënnale bij, het EK voetbal voor vrouwen en natuurlijk Heel Deventer Hapt. Slim hoor, gemeente. Zo doe je zaken.

De enige route uit de stad is nu met de auto. Misschien kunnen we daar ook nog een plan voor bedenken, zodat ook Deventenaren zijn veroordeeld tot een vakantie in eigen stad. Geen gek idee eigenlijk. Moest er niet toevallig ook nog iets aan de op- en afritten van de A1 gebeuren?

Potentie

,,Vergeet niet naar boven te kijken”, zei mijn moeder altijd als we door de stad liepen. Daar had ze gelijk in: dat vergeet je vaak. Ik sta geregeld weifelend in de etalages te staren, terwijl het decor op vier meter hoogte veel interessanter is. In Deventer, maar ook in andere oude binnensteden zoals Zutphen en Zwolle.

Maar in Deventer blijkt het dus ook letterlijk een decor te zijn. Er zit niks achter. Dat het daar al jaren leegstaat heb ik totaal gemist. Niet goed opgelet – sorry mam.

De leegstand is misschien een beetje zoals troep in je huis. Als je het maar lang genoeg negeert, dan zie je het vanzelf niet meer. De eigenaren waren de lege verdiepingen gewoon vergeten. Net als wij Deventenaren. En nu blijkt dat de ruimte al jaren op de mooiste plekjes van de stad ligt te verpieteren. Plek voor maar liefst tachtig appartementen. Bizar.

Nu is het er vervallen. Er wonen duiven. En dat terwijl jij er zou kunnen wonen. Stel je eens voor: op een gure zaterdagmiddag uit het raam hangen , gewapend met een plantenspuit. Kijken hoeveel mensen hun paraplu opsteken. Of op zonnige dagen met een biertje in de vensterbank zitten, loeren naar de voorbijwandelende mensen. En tijdens Deventer op Stelten op je raam geklopt worden terwijl je je roes aan het uitslapen bent van de vorige avond.

Het kan allemaal. Er is ruimte. Je moet er alleen wat duiven voor verjagen. En smeken bij de pandeigenaren om van de vervallen ruimtes paleisjes te maken. Oh ja, en of er überhaupt trappen naartoe gemaakt kunnen worden, zodat je er kunt komen. Wat er precies boven de winkels zit is dus nog een verrassing.

Dat is eigenlijk de hele situatie voor mij, een verrassing. En velen met mij. Ik dacht dat er een schrijnend tekort was aan betaalbare huurwoningen in Deventer. Verhuurder Domica levert deze zomer al zijn tweede tot appartementen omgebouwde kantoorpand op, genaamd de Smaragd. Razend populair. En de Robijn, het eerste, is al een maand in gebruik. Compleet volgeboekt. Er is dus vraag, en weinig aanbod.

De eerste stap is het verjagen van de duiven. En dan wat kluswerk. Het moet toch een keer gebeuren, dus waarom niet nu? Hup, pandeigenaren. Aan het werk.

Uitverkocht

De huizen zijn op. Uitverkocht. Voor starters als ik moet je een gepassioneerde klusser zijn, wil je een leuke gezinswoning op de kop tikken. Ik roep wel vaker dat mijn generatie geboren is voor het ongeluk en dit is opnieuw een bevestiging daarvan.

Eerst kwamen we al op de arbeidsmarkt tijdens de ergste economische crisis in heel veel jaar. Als je überhaupt al aan een baan kon komen, dan was dat met allerlei flexibele contracten. Prima voor ons, want vrijheid, blijheid, maar de bank vindt dat dus helemaal niks.

Wat de bank ook al niks vindt: studieschulden. Tien jaar geleden was dat allemaal nog prima. Hoefde je niet te melden, dus werd ook niet meegerekend. Dus wij allemaal lenen, want ja, je moet het toch ergens van betalen. Daarbij: door de gunstige rentetarieven leek het allemaal geen probleem.

Maar dat is het nu ineens toch. Rekenen de banken met hoge percentages die totaal niet in de buurt komen bij je daadwerkelijke aflossingsbedrag. Waardoor dat in mijn geval tot zo’n lage hypotheek leidt, dat ik misschien net een garagebox kan betalen.

En nu zijn dus de startershuizen uitverkocht. Dan denk je: ja in Utrecht en Amsterdam. Nou, daar waren überhaupt al geen huizen voor starters; daar begint het pas bij drieënhalve ton. Vrienden zijn al anderhalf jaar op zoek, met een makelaar. Steeds te laat. Ze moesten trouwens ook hun studieschuld verzwijgen, want anders bleef het écht onmogelijk.

Maar ook in Deventer is het kommer en kwel. Ik heb even gekeken op Funda, naar huizen tot de twee ton. Als je als starter nog een huisje wil, dan moet je wel van opknappertjes houden. Ik noteer: een groene badkamer, een geel met groene keuken, een kelderbadkamer, tuinen op het noorden en anderhalve slaapkamer in eengezinswoningen. Drama.

Nou maakt het voor mij niks uit. Ik ben sinds kort zzp’er, dus de bank moet me niet. En die studieschuld natuurlijk. Maar het is opnieuw een probleem dat op de schouders terechtkomt van mijn generatie. We zijn wéér de dupe. Een vast contract is niet meer genoeg, we moeten nu ook nog meer verdienen om een fatsoenlijk huis te kunnen kopen. En ondertussen vindt niemand het een probleem dat ik dik 700 euro betaal voor mijn huurappartementje, 200 meer dan voor een hypotheek van 180.000. Zelfs de woningbouw niet. Toch gek, niet?

Koningsdag

De roodwitblauwe schminkstift komt elk jaar uit de verkleedtas. Samen met mijn oranje boa en mijn oranje cowboyhoed. Eigenlijk neemt mijn oranje kledij verreweg de meeste plek in in de tas. Want ik hóu van Koninginnedag. Of Koningsdag dan, nu. Het is mijn lievelingsfeestdag.

Koningsdag moet je víéren. Brak, meestal. Want Koningsnacht vier je uiteraard ook. Maar sinds ik in Deventer terug ben, weet ik niet meer hoe. Ben ik nou ouder geworden, of is er gewoon niks? In mijn eerste jaar, het jaar waarin Koninginnedag Koningsdag werd, week ik voor de zekerheid maar uit naar Arnhem. Echt leuk was het niet. Er waren wel jonge mensen, maar er waren maar weinig die net als ik óók het Koningslied uit hun hoofd hadden geleerd. Bovendien viel de muziek en de gezelligheid tegen. Maar wat wil je ook, als je Groningen gewend bent.

Het jaar erop besloot ik geen verwachtingen te hebben. Ik zou tijdens Koningsnacht gewoon de stad in lopen en kijken wat er zou gebeuren. Bier zou er toch wel zijn, dus dan komt gezelligheid vanzelf.

Het werd niet later dan 23.00 uur. Iedereen was de stad uit, ergens anders Koningsnacht vieren. Dan maar Koningsdag vieren, dacht ik nog. Wat een verdriet. Niks. Het was niks. Halverwege de Brink ben ik gekomen, toen liep ik alweer terug naar huis. In de kroegen zat het vol. Niet met bierdrinkende jonge mensen, maar met appeltaartprikkende vijftigplussers en schreeuwende kinderen. Iedereen is vrij en gaat ook wat doen. En in een niet-studentenstad zijn dat helaas niet de mensen uit mijn doelgroep. Dus ik gaf het op. Voor altijd.

Tenminste, dat was het plan. Tot dit jaar. Ik zag een advertentie voor het Koningsfestival en voor het eerst in mijn leven leek het me leuk om Koningsdag in Deventer te vieren. Een heel festival op het Havenkwartier. Met muziek en eten en gezelligheid. Jonge mensen. Feest. Alsof de organisatie het afgelopen jaar naar mijn avondgebedjes heeft zitten luisteren.

Maar uitgerekend dit jaar kan ik niet: ik moet werken. En niet gewoon een normale werkdag, maar een ochtenddienst, dus alle hoop op iedere feestelijkheid is vervlogen. Terwijl jij dit leest, zit ik stukjes te typen. Geniet er dus maar van.

Er is gelukkig één troost: het is stervenskoud. En die verkleedtas heeft veel, maar geen oranje muts of sjaal. Dus misschien ben ik maar blij dat ik vandaag binnen mag blijven.