Bloggen: waarom eigenlijk?

Zucht. Waar haal ik de inspiratie vandaan? Wat is er leuk aan en wie leest het eigenlijk? Bloggen klinkt als een opgave en eerlijk: dat is het ook. Het kost tijd en energie om mooie onderwerpen te vinden, vaak moet je research doen en dan heb je nog niet eens een tekst. Dat is niet voor iedereen een fijne bezigheid.

Maar je houdt er ook wat aan over.  Geen centen per klik. Met bloggen laat je zien wie je bent. Show, don’t tell.

Jouw persoonlijkheid

Het verschil met andere berichten en de standaardteksten op je website? Daarin vertel je wie je bent. Met bloggen geef je iets van je persoonlijkheid, ook als bedrijf. Door te schrijven over een onderwerp dat je bezighoudt, laat je zien wat voor jou belangrijk is. En blog je zakelijk, dan kies je een onderwerp dat bij jouw bedrijf past, en schrijf je daarover vanuit jouw of jullie visie.

Nee, dat levert in eerste instantie geen geld op. Maar je zorgt voor interactie en daarmee creëer je toewijding van je lezer of klant. En dat is wat waard.

Bloggen is marketing

Maak bloggen onderdeel van je marketing. Net als je logo, je facebookpagina en je website. Zie het als een manier om te laten zien wie je bent. En deel je blogs met je netwerk, via LinkedIn en andere sociale media. Door steeds nieuwe content te maken, ben jij continu zichtbaar. En doe je het goed, dan zorgt die zichtbaarheid ervoor dat straks iedereen weet wie jij bent, wat je te bieden hebt én waar je voor staat.

Zoek daarom onderwerpen die dicht bij je staan, waar je veel van weet en waar je iets over te zeggen hebt. Maak het persoonlijk.  Durf een mening te hebben. Zolang het onderwerp jou boeit, zorg je voor betrokkenheid van de lezer. Want plezier in het schrijven breng je over. Dat zorgt voor plezier in het lezen. Zo win je de sympathie van je klant.

Feestje

Op feestjes moet je niet bezuinigen. Het zijn de wijze woorden van de oud-directeur van het bedrijf waar ik vorig jaar nog werkte, die nog steeds in mijn hoofd resoneren. Het is een van de weinige dingen die ik mis van het in loondienst zijn: extravagante feestjes. Als zzp’er geef je die toch niet zo snel.

Maar gelukkig is daar de gemeente Deventer. Die houdt ook wel van een feestje. Met de hele stad, en het liefst een heel jaar ook nog. Dus bestaat de stad volgend jaar 1250 jaar. Hebben ze bedacht.

Ja, bedacht. Want niemand weet of dat klopt. Sterker nog, de kenners weten haast wel zeker dat het níet klopt. Deventer zou niet in 768 zijn gesticht, maar dik honderd jaar later, in 877. Of zelfs nog later. Maar ja. Die halve miljoen subsidie voor dat feestje ligt er al. Wat nu?

Ik zeg: gewoon doen. Feestjes zijn altijd goed. En het mag ook wel een keer. De economie draait weer lekker, we hoeven voorlopig geen stadhuis meer te bouwen en we participeren ons een ongeluk om op andere vlakken geld te besparen. Dan is een feestje wel verdiend, lijkt me.

En eerlijk: het is ook wel een beetje nodig. Voor de promotie. De stad staat er niet goed op. Na de droevige kijkcijfers van de Nederlandse serie Voetbalmaffia bijvoorbeeld, die zich deels in Deventer afspeelt. Er zouden 1,3 miljoen mensen voor de buis zitten. Het werden er nog geen half miljoen. En als we het dan toch over voetbal en droevige cijfers hebben: Go Ahead Eagles.

Maar iets blijft me nog een raadsel. Waarom komen die historici hier zo rijkelijk laat mee? Dat Deventer dit in de planning had, was al eeuwen bekend – figuurlijk dan. Het enige wat ik kan bedenken is dat ze zo lang mogelijk hebben gewacht, zodat de organisatie van alle festiviteiten al in volle gang zou zijn. Dat ze, net als ik en de gemeente Deventer, gewoon zin hadden in een feestje.

Goede zet. Bedankt. Ik doe mijn feestneus alvast op. En mijn advies aan de gemeente: vooral niet bezuinigen.

Achtergrond

Een half uur rijden is het. Mijn nieuwe zwarte katertje André moet naar het dierenpension in Vorden. Mensen willen ook weleens op vakantie. En voor de kleine dondersteen is het ook net vakantie. Je hoeft maar door de rood-groen-bruine lanen in de Achterhoek te rijden en je waant je weg. Totaal weg.

Wat ben ik hier weinig. Of zeg maar gerust nooit. Terwijl dit het land is waar ik geboren ben. Mijn familie dan. Tenminste, als ik de talloze trouw- en geboortecertificaten moet geloven die ik jaren geleden obsessief verzamelde. Hele mappen vol heb ik op mijn computer. Onderzoek dat ik tussen mijn parttime baan en studie door deed. De weg kwijt, zoals veel adolescenten, en vooral razend benieuwd naar wie ik eigenlijk ben. Oké, en misschien was het ook wel gewoon studieontwijkend gedrag.

Ik zie een meneer fietsen. Misschien ben jij wel mijn opa’s achterneef, denk ik. Dikke vette kans, want wees eerlijk: elke familie in deze regio is op één of andere manier met elkaar verbonden. Dat weet ik, vanwege dat onderzoek dus. De Smeenks, de Nijmans. De Bolinks. Zitten in mijn familie, ergens.

Verder was mijn afstammingsonderzoek een grote teleurstelling. Destijds dan. Mijn voorouders kwamen niet veel verder dan Warnsveld, Lochem en Laren. Dat mijn opa en oma in Wesepe terechtkwamen was al heel wat. Nee, jammer genoeg stroomt er geen exotisch bloed door mijn lijf. In ieder geval niet van vaders kant. Was het maar zo.

Ik ben zelf een exoot. Dat ik de navigatie aan heb op de plekken waar mijn voorouders elk grassprietje kenden. Wat is er precies gebeurd, dat ik deze velden niet ken? Dat ik nu hard mee zit te zingen met de Bloodhound Gang – you and me, baby, ain’t nothing but mamals, so let’s…, en niet een tentfeest aan het voorbereiden ben, in het bestuur zit van de carnavalsvereniging, of mijn vader help met de administratie van zijn melkveebedrijf?

Ik ben een emigrant, terug bij mijn roots. Een stadsmeisje, als je het al zo kunt noemen, in dat kleine stadje Deventer. En toch. Als ik dan door de lanen rijd, met de groen, bruin en rood aangestipte bomen en met dauw bedekte velden, dan voel ik me thuis. En het is maar een half uurtje rijden.

Niet vrolijk

Doodsbedreigingen waren het niet. Maar de strekking was duidelijk. Sommige Eagles-supporters willen mij het liefst seksueel overmeesteren, naar aanleiding van mijn column van vorige week, over een zelfbedachte straf voor onze eigen hooligans. Nee, dit wordt geen vrolijke column.

Het was natuurlijk te verwachten. Als je van het niveau bent dat zich misdraagt na een voetbalwedstrijd, dan kun je ervan uitgaan dat je ook wel zo laag bent een columnist te beschimpen.

Ik ben niet de enige. Vraag het een willekeurige vrouw die haar mond publiekelijk opentrekt. Daarvan wordt meteen geopperd dat er een piemel in moet. Wat is dat toch met een bepaald type mannen, dat ze het liefst direct overgaan tot verkrachting?

Des te opvallender vind ik de reacties op het verhaal van schrijfster Griet Op de Beeck van afgelopen week. Haar relaas in het tv-programma De Wereld Draait Door, over haar hervonden herinneringen aan het misbruik van haar vader, was duidelijk doordrenkt van emotie. Het was moedig. En toch gingen de reacties voornamelijk over twijfels. Of het wel waar was. Want het waren natuurlijk geen echte herinneringen.

We discussiëren blijkbaar liever over de betrouwbaarheid van hervonden herinneringen dan over seksueel misbruik. Dat snap ik wel. Het is ook geen vrolijk onderwerp. Maar waarom geloven we liever dat een verkrachter onschuldig is? Is het omdat we denken dat zoiets ‘gewoon niet gebeurt’? Omdat we het nooit zien?

Als me iets duidelijk is geworden afgelopen week, dan is het wel dat het stikt van nare mannen die er rare fantasieën op nahouden. Dat vrouwen die hen boos maken of machteloos laten voelen het moeten ontgelden met seksuele overmeestering. Vraag het Rosanne Hertzberger, Anne Fleur Dekker, Asha ten Broeke, Femke Halsema, Loes Reijmer of pakweg alle vrouwen die weleens in de schijnwerpers staan en kritisch zijn. Het valt niet te ontkennen: die mannen zijn er. Het is een probleem. En blijkbaar ook gewoon hier, in onze regio.

Ik wil weten waar die opmerkingen vandaan komen. Want in precies die krochten van de geest, daar liggen de wortels van misbruik. Het is niet leuk. En niet vrolijk. Maar het wordt tijd dat we kritisch naar de daders gaan kijken, in plaats van naar de slachtoffers.

Naar Zwolle

Het was niet alleen kinderachtig, maar vooral ontzettend dom. Stupide. Achterlijk zelfs. Dat 46 zogenaamde Deventenaren zich zo schandelijk misdroegen op het station in Zwolle afgelopen vrijdag. Ze wilden op de terugweg van de wedstrijd tegen Emmen niet overstappen op de trein naar Deventer. En gebruikten daarbij ook nog geweld.

Zo triest. Sneu. En zo onvoorstelbaar dom. Want waarom zou je met geweld weigeren om in de trein te stappen die je juist weghaalt uit de stad die je zó haat? Mij ontgaat alle logica.

Wat mij betreft is er maar één oplossing voor dit soort wangedrag. Die pathetische hooligans hun zin geven. We hadden ze gewoon in Zwolle moeten laten: de zwaarste straf die je dit soort jongens en meisjes kunt geven. We sluiten ze op in de stad en maken Zwollenaren van ze. Zouden ze daar niet van gruwelen?

Doe het gewoon, politie. Ik daag jullie uit. Verf hun vingers blauw met onuitwisbare inkt. Leg elke ochtend een setje blauwwitte kleren voor ze klaar – inclusief ondergoed. Laat ze ontbijten met Zwolse balletjes. Lunchen met Zwolse balletjes. Avondeten met Zwolse balletjes.

Rijd ze elke dag, de hele dag, rond in een busje langs alle Zwolse bezienswaardigheden. Met trotse gids, die alles bewonderend toelicht. De Peperbus. Museum de Fundatie. Sassenpoort. ’s Avonds met z’n allen naar Theater de Spiegel waar om de dag de bekerfinale tegen Ajax uit 2014 wordt nagespeeld en de andere dag de twee verloren IJsselderby’s van vorig jaar.

En de grootste straf? Zet ze in een afgesloten ruimte in het IJsseldeltastadion en verplicht ze elke thuiswedstrijd van PEC te kijken, begeleid door oorverdovende feestmuziek na elke thuisgoal. En laat ze pas naar Deventer terugkeren als ze ‘Ik ben een Zwollenaar’ beginnen te zingen als je ze uit hun slaap wakker maakt.

Als er zich dan opnieuw een jonge hond misdraagt, laat die dan een dagje meelopen met de verbannen hooligans. Zodat hij – of zij – weet wat er te wachten staat na zulk triest gedrag. Misschien is dat de enige manier om zulke lui een lesje te leren.

Oh ja, en Zwolle? Mochten jullie met hetzelfde probleem zitten: wij hebben hier nog wel wat roodgele verf, een voorraadje Deventer koek en een sightseeingbusje klaarstaan. En ongeveer 46 lege stoelen in de Adelaarshorst. Kom maar door.

Trouwen

,,Ik hoop dat wij bij die 25/30 procent horen”, appte mijn vriendin met enig cynisme na haar bruiloft van afgelopen vrijdag. Ze overdreef een beetje. Want het scheidingspercentage valt best mee: 40 procent. Dus zo’n 60 procent overleeft het. Maar ze had wel een punt. De kans dat je huwelijk strandt is behoorlijk groot.

Trouwen is sowieso nooit voor mij. Daar ben ik te grillig voor en ik hou niet van dat claimerige. Bovendien kan ik een miljoen redelijke argumenten geven om het vooral niet te doen. Maar afgelopen weekeinde, toen zowel vrijdag als zaterdag tranen over mijn wangen biggelden van al dat liefdesgeluk – ik had maar liefst twee bruiloften achter elkaar – snapte ik het ineens. Het is zeggen dat je van elkaar houdt.

Steeds minder mensen doen dat, zo bleek een paar weken geleden. Het geregistreerde partnerschap wordt steeds populairder. Opvallend daarbij was dat in uitgerekend de gemeente Olst-Wijhe relatief de meeste geregistreerd partnerschappen worden gesloten. Een zakelijke gemeente, zo lijkt het.

Logisch, als je ziet hoeveel huwelijken er stranden. Kun je beter alles gewoon op papier zetten en er een handtekening onder zetten. Maar eigenlijk doe je dan precies hetzelfde als trouwen, je zegt alleen niet dat je van elkaar houdt, ten overstaan van je familie en vrienden. Wat maakt het dat ze nou juist in Salland de romantiek zijn kwijtgeraakt?

Natuurlijk kun je zeggen dat er niets romantisch is aan jezelf vastleggen voor de rest van je leven. Ik ben de eerste die dat beaamt. Maar als we het toch moeten doen, voor een koophuis, of voor de kinderen, waarom dan niet meteen goed?

Ik stel voor dat we weer meer gaan trouwen. Het is duur, dat weet ik, maar je hebt het zelf in de hand. En je hoeft niet bang te zijn dat je jezelf tot in de eeuwigheid vastlegt. Uit elkaar gaan kan nog steeds. En dat is sowieso een heel gedoe, of je nou getrouwd bent of niet.

Oké, misschien is het ook wel een beetje uit eigenbelang. Ik vind het helemaal niet erg als mijn make-up uitloopt tijdens de ceremonie omdat ik labiel word van geluk. Dus hierbij ook een oproep aan iedereen: trouw gewoon wat meer, en nodig mij dan ook uit, oké?

Papegaai

,,Ben je alleen? Ik sta hier in m’n nakie”, zeg ik tegen mijn moeder door de intercom. Ze staat beneden voor mijn deur voor een onverwacht bezoek en ik kom net uit de douche. ,,Nee, ik ben niet alleen”, zegt ze. Door de intercom hoor ik mensen achter haar lachen.

Ik had het natuurlijk moeten weten. Er staat een groep toeristen achter haar, mijn huis te bewonderen – en mee te luisteren. Dat is al de hele zomer zo. Ze komen voor de papegaai: een ornament boven mijn deur. Dat is blijkbaar erg bijzonder. Net als de opmerking die ik tegen mijn moeder maak. Ik trek snel een badjas aan.

De toeristen zijn gelokt. De hele zomer draait er een reclamespot voor Deventer. En die lijkt goed te werken. Vrijdag wees ik nog een tweetal buitenlandse toeristen de weg naar ‘the big river’. En het viel zelfs mijn Amsterdamse vrienden op dat Deventer werd aangeprezen vlak voor het nu al legendarische interview met burgemeester Eberhard van der Laan tijdens Zomergasten. Supertrots was ik.

Dus blijven de toeristen maar toestromen. Gaan naar exposities, voetbalwedstrijden, boekenkraampjes, theatervoorstellingen. En doen stadswandelingen, waarbij ze uitgebreid stilstaan bij de Deventer historie. En blijkbaar hoort mijn huis in het Bergkwartier daar ook bij.

Leuk hoor, voor Deventer, maar voor mij wat minder. Toen ik nog maar een kwartier de sleutel had van mijn nieuwe appartement, proostte ik met mezelf een biertje in de vensterbank. Meteen had ik een groep Duitsers voor mijn raam. Even dacht ik dat ze mij kwamen bewonderen. Maar nee, ze keken net iets onder mijn raam. Naar de papegaai. In een kooitje.

En nu voel ik me al een zomerlang bekeken door toeristen maar blijven toestromen. Want het raam met de papegaai is precies het raam waar ik in de zon kan liggen met een paar kussens en een boek. Mijn balkon, zeg maar.

Voor mijn eigen rust doe ik er alles aan om de toeristen voorgoed weg te jagen. Zodat ze nooit meer terugkomen na dat ene bezoek. Zo ga ik voor het raam staan en gekke bekken trekken als ik zie dat mensen foto’s van mijn papegaai maken. Photobomb, noemen ze dat. Komen ze waarschijnlijk thuis pas achter. En als ik ze kan verstaan, praat ik ze na. Ze willen toch een papegaai? Dat zal ze leren.

Welkom

Welkom studenten, schreef ik vorig jaar. Welkom in de studentenstad met de minste studentenactiviteiten. Het is hier niks aan. Ga maar gauw weer weg. Dat kan ik met gemak weer opschrijven, want Deventer is nog steeds een stad voor oude mensen (zelf een student horen zeggen). Maar er is ook wat veranderd het afgelopen jaar. Er is weer leven op de Brink. Er gebeurt iets.

Ik heb het Deventer uitgaansleven herontdekt. Want je moet wat als je vrijgezel bent en de leuke tindergesprekken op een vingerkootje kunt tellen. Dan maar de ouderwetse manier: dronken tongen in de kroeg terwijl er ijsblokjes naar je hoofd worden gegooid. Welke twintiger wil dat niet?

Het kan nog steeds in Deventer. Of alweer. Want de Boemel is weer open. Oh sorry, het heet nu natuurlijk de Bisschop. Maar net als ‘vroeger’ moet je elke vrijdagavond na één uur in de rij staan om je daarna schuifelend door een dampende en zwetende mensenmassa te bewegen. Fantastisch.

En er zit nog meer in de pijplijn in ‘mijn hoekje’ van de Brink – de straal waarbinnen ik letterlijk naar huis kan koprollen. Ik wacht met smart op de opening van Club Chicago, de nachtclub tussen de Bisschop en de Hip, waartussen ik nu graag heen en weer pendel. Was het trouwens niet handig geweest om die voor de introductieweek te openen, om die talloze nieuwe studenten te verleiden? En dan de Ierse pub, waar blijkbaar ontzettend veel animo voor is. Ik kan niet wachten.

Ik mis alleen nog eeuwige openingstijden. Dansen tot je niet meer kunt. Afgelopen vrijdag haalde ik amper de 6.000 stappen. Dat moet beter kunnen. Want dat je na drie uur nergens meer naar binnen komt, vind ik om te huilen. Onze nieuwe studenten zijn toch zeker oud genoeg om zelf te bepalen hoe laat ze gaan slapen? En ik wil om zeven uur ’s ochtends kunnen poolen. Kan in Groningen ook.

Oké, misschien verwacht ik te veel. Stap voor stap. Deventer wordt misschien nooit een studentenstad, maar het valt hier best mee. Dus studenten, probeer het vooral wél. Ga naar de Bisschop, Persee, de Hip, de Alm, Dorst, de Tijd. Het Burgerweeshuis en de Heks. Jullie moeten er toch zelf wat van maken. En misschien wordt je studententijd zelfs wel leuk. Welkom.

Pak die bitch

We lachen. Ze zegt: ,,Wat is dit slecht. Dit kunnen wij zelfs nog beter.” Maar we doen mee. Ook als de dikke clown vraagt of wij de ‘ee’ willen zingen in de ‘aa, ee, ie, oo, oeh’. Ik vraag me af of ze lekker zit op het houten bankje. Na een minuut of twintig kijkt ze me ongelukkig aan. Maar ze geniet nog even. Dat moet, want de komende tijd zien we elkaar stukken minder.

We zijn in Herma’s Theetuin. Een langverwacht bezoek. We reden er al drie keer voorbij, en nu zijn we er dan eindelijk. Gevonden. Er is een theateract van clowns. En dat precies nu, de laatste keer dat ik mijn beste vriendin zie voordat ik haar wegbreng naar de kliniek.

Maandagochtend om 8.00 uur moet ze in Zutphen zijn, vertelt ze in auto terug. Voor het ontbijt. We gruwelen allebei van het tijdstip. ,,Dat moet ik even verwerken”, zeg ik. Maar ik heb het er voor over. Ik word emotioneel als ik bedenk dat dit begin kan zijn van herstel. Hoeveel tijd er dan ineens voor ons ligt. Wat we dan allemaal kunnen doen. Mijn hart maakt een sprongetje.

Hoe anders zou het zijn dan nu. We leven van dag tot dag. Steeds als je denkt dat het niet slechter kan, blijkt het nog slechter te kunnen. Ze blijft maar afvallen. Zelfs haar kinderbroekjes lubberen om haar benen. Ze wil wel normaal eten, maar ze kan het niet. Een eetstoornis heeft compleet beslag van haar genomen. We beseffen het beiden te weinig, maar ze kan elk moment overlijden.

Na de clownsact bestel ik bij Hotel Gaia een bak nootjes en een muffin. Ik weet dat ik alleen eet, maar ik houd me niet in. Ik heb honger. Ze lacht erom. ,,Dit wil ik ook weer”, zegt ze. Net als vroeger. We kennen elkaar al meer dan half ons leven, maar hebben pas sinds dit jaar weer intensief contact. Gelijkwaardig contact. Ik steun haar, en zij steunt mij. Meer dan een vriendin ooit heeft gedaan.

We noemen haar Annie, haar ziekte. De trut. Onlangs gaf ik haar een armbandje, met een anker. Hoop. En op het kaartje erbij schreef ik: ‘Pak die bitch’. We maken haar kapot.

Vergunning

Al maanden stond er een feestje zonder datum op de planning. Mijn brievenbus checkte ik elke dag. En mijn auto zag al weken bruin van al dat wildparkeren op de zandbult bij Senzora in Deventer. Maar ik stelde een ritje naar de wasstraat uit omdat ik wachtte op die ene envelop.

Twee weken geleden was het dan zover. Na drieënhalve maand kreeg ik het langverwachte telefoontje dat ik de volgende op de wachtlijst was voor een parkeervergunning. Twee weken eerder dan verwacht. Daar is de gemeente Deventer goed in, sneller klaar zijn dan de planning. Deed ze ook al met allerlei bouwprojecten.

Of ze het pasje op moest sturen, of dat ik hem morgen liever zelf kwam ophalen, vroeg de aardige mevrouw. Ophalen, zei ik zonder aarzeling. Dan heb ik hem sneller. Toen ik ophing kon ik mijn opwinding niet onderdrukken.

Het feestje kon gepland. Er kwam een vijfdelig snapchatverhaal en ik oriënteerde me alvast op welke parkeerplekken allemaal voor mij waren. En toen ik hem had, lag hij prominent op mijn dashboard, mooi en vooral ook decadent te zijn.

Dat hij bij elke bocht alle kanten op vloog kon ik accepteren. En dat er na elke avonddienst geen parkeerplek te vinden was, waardoor ik alsnog bijna net zo ver moest lopen, nam ik ook maar voor lief. Want ik parkeerde in de stad. Schoon en veilig.

En ik kon ook eindelijk mijn auto wassen. Vooral dat. Want er stond een klein weekje Denemarken op de planning, met twee bijrijders, en dan kun je niet aankomen met een auto vol wildparkeerzand.

Dus koos ik bij Matz Carwash het duurste programma, want nu ben ik decadent. Glimmend kwam-ie eruit. Met de stofzuiger zoog ik al het zand van de matten en het stof dat ik inmiddels al had verzameld. En mijn parkeervergunning van het dashboard. Floep.

De ironie.

Nee, hij was er niet meer uit te vissen, zeiden ze vorige week bij Matz. Dat kon echt niet. Dus dan de gemeente maar weer. De aardige mevrouw. Die heel hard lachte om mijn verhaal – en dat mocht. Ik mag vandaag een nieuwe afhalen zei ze. En omdat ik tot gisteren op vakantie was, knepen ze voor vannacht een oogje dicht. Bedankt lieve gemeente.